“Beslissingen nemen gaat onbewust”

Hersenonderzoeker Dick Swaab is groot voorvechter van het idee dat de nukken van ons brein volledig verantwoordelijk zijn voor onze persoonlijkheid en ons gedrag. De mens heeft geen vrije wil, zo betoogt hij. In een nieuw boek beschrijft hij hoe ook creativiteit een onbewust product is van ons brein.

Tekst: George van Hal en Jim Jansen Fotografie: Bob Bronshoff

Interview

Ieder van ons draait op de automatische piloot van zijn of haar grijze massa. Dat verrassende inzicht volgt volgens hersenonderzoeker Dick Swaab onherroepelijk uit de resultaten van moderne neurowetenschappelijke experimenten. De software van ons onbewuste besturingssysteem blijkt bovendien grotendeels al beklonken vóór onze geboorte. Het zit ingebakken in het DNA dat we meekrijgen van onze ouders. Hooguit kunnen we door middel van omgevingsinvloeden en levenservaring onze breinen wat bijslijpen, maar vanaf een jaar of 24 is het klaar en zit ons brein stevig achter het stuur.

In zijn nieuwe boek Ons creatieve brein, de langverwachte opvolger van megabestseller Wij zijn ons brein, breidt Swaab de reikwijdte van dat idee verder uit. Met recente inzichten uit hersenonderzoek verklaart hij vanuit het brein alles van creativiteit tot hersenziekten. Daarbij schuwt hij zelfs politiek gevoelige onderwerpen zoals man-vrouwverschillen en seksuele geaardheid niet.

We beginnen met een onderwerp waar we bij u niet omheen kunnen: de vrije wil.

‘Heb je geen vrije wil die zegt: ‘Laten we dat nu eens niet doen’?’

Blijkbaar niet. Hoe definieert u de vrije wil?

‘In ons vakgebied hanteren we de hypothese dat wanneer je over vrije wil beschikt, je bij elke beslissing op hetzelfde moment en onder dezelfde omstandigheden evengoed een andere beslissing had kunnen nemen. Tot nu toe laat ieder experiment zien dat dat niet het geval is.’

Waaruit blijkt dat?

‘Bijvoorbeeld uit experimenten waarbij we mensen onder de hersenscanner leggen en ze laten kiezen tussen het indrukken van een knopje aan de linkerkant of aan de rechterkant. Het maakt daarbij niet uit hoe lang iemand daarover doet. Er wordt in het experiment geregistreerd wanneer proefpersonen hun beslissing nemen. Dan blijkt uit veranderingen in het brein dat de hersenen al 7 tot 8 seconden eerder weten of het links of rechts wordt dan de proefpersoon zich bewust is. De beslissing is dus al onbewust genomen door het brein.’

Hoe neemt een brein zo’n beslissing?

‘Op basis van de informatie die je hebt. Het grappige is dat je denkt dat je de beslissing zelf hebt genomen. Het brein maakt namelijk achteraf een verhaaltje bij de beslissing. Uit onderzoek blijkt dat het rechterdeel van het brein de beslissing neemt en het linkerdeel dat verhaaltje maakt. Mensen waarbij de hersenbalk is doorgesneden, zodat de linker- en rechterhelft niet met elkaar kunnen communiceren, maken toch dat verhaaltje, dat logisch voelt maar helemaal niet logisch hoeft te zijn. Zo’n verhaaltje is gewoon kletskoek, dat moet je niet vertrouwen. Het brein probeert achteraf dingen kloppend te maken. Je neemt beslissingen onbewust. ‘Neem bijvoorbeeld je partnerkeuze. Die is vrij belangrijk voor de rest van je leven. Maar die keuze neem je niet door eerst heel rationeel de mogelijkse voors en tegens van een partner op een rijtje te zetten. Je neemt die beslissing door verliefd te worden. Dat is een onbewust proces.’

Betekent dat ook dat die keuze niet vrij is?

‘Het feit dat het onbewust is, wil zeggen dat je die keuze niet hebt beïnvloedt. Dan is de uitkomst dus alleen afhankelijk van de beschikbare informatie en van de structuur en het onbewust functioneren van je brein.’

Kun je de structuur van je brein nog wel een beetje sturen?

‘Je kunt wel leren. Als het mislukt met een partner, heb je die informatie in je brein opgeslagen. Bij de volgende verliefdheid – die onbewust begint – weegt je brein dat mee. We leren voortdurend. Maar op het moment zelf is het een proces dat je niet kunt beïnvloeden.’

Veel mensen reageren emotioneel op het idee dat wij geen vrije wil hebben. Had u het zichzelf niet veel gemakkelijker gemaakt wanneer u alleen had verkondigd dat we beslissingen onbewust nemen?

‘Moet ik de mensheid dan sparen? Ik trek een conclusie op basis van experimenten. Wanneer experimenten een conclusie opleveren, moet je die helder vertellen. Als er een experiment langskomt dat laat zien dat ik het verkeerd heb, zal ik dat direct accepteren. Maar ik zie op dit moment geen reden om gas terug te nemen.’

Kunt u zich zo’n experiment wel voorstellen?

‘Als ik het me zou kunnen voorstellen, zou ik het meteen uitvoeren. Tot nu toe zijn alle experimenten die je kunt voorstellen al gedaan en steeds volgt daaruit hetzelfde resultaat: beslissingen zijn onbewust.’

Van filosofen krijgt u veel kritiek. Zij menen dat de vrije wil wel degelijk bestaat en dat u op basis van uw experimenten het tegendeel niet bewijst. Wat vindt u daarvan?

‘Filosofen moeten leren dat de tijd voorbij is dat je alleen maar nadenkt en vervolgens verkondigt hoe het zit. Hun experimenten zijn gedachte-experimenten en in je eigen gedachten heb je altijd gelijk. Ze toetsen die gedachten niet met een gecontroleerd experiment.

‘Vanuit de neurowetenschappen kom je constant in andere vakgebieden terecht. Die gebieden moet je eerst een beetje leren kennen. Filosofie was voor mij zo’n nieuw gebied; toen moest ik me wel eventjes goed oriënteren. Maar als ik iets zeg, denk ik dat ik voldoende achtergrond heb, dat ik voldoende experimenten bekeken heb om te zeggen dat het zo zit.’

U probeert uw boodschap nooit wat minder controversieel te verpakken?

‘Daar denk ik nooit over na. Ik heb in de jaren tachtig bijvoorbeeld voor het eerst beschreven hoe geslachtsverschillen zich uiten in de hersenen. Toen waren de feministen meteen boos. Want je mocht in ieder orgaan geslachtsverschillen vinden, maar niet in de hersenen. Het geslachtsverschil in gedrag kwam allemaal door de boze mannenmaatschappij, niet door ons brein. Net zoiets gebeurde toen ik de verschillen tussen de hersenen van homo- en heteroseksuelen ging beschrijven. Toen viel de hele wereld over me heen. Er waren bommeldingen in het lab, bommeldingen thuis. Per brief kreeg ik doodsbedreigingen binnen. Tijdens een demonstratie voor mijn huis werd mijn tuin omgespit.

‘Het idiote was dat dat allemaal kwam doordat een groep homoseksuele mannen vond dat ze een keuze hadden gemaakt in hun seksuele oriëntatie. Ze noemden dat bovendien een politieke keuze. Toen ik zei: ‘Die keuze is voor je gemaakt in de baarmoeder en het politieke kan ik er niet van zien’, waren ze erg boos.

‘Toch gaat het niet altijd zo. Toen ik voor het eerst de omkering van geslachtsverschillen in de hersenen bij transseksuelen beschreef, was iedereen juist blij. Die conclusie werd namelijk gebruikt om de wet in Engeland aangenomen te krijgen waarmee men geslachtsverschillen in geboortecertificaten en paspoorten kon veranderen. Om diezelfde reden is dat resultaat in het Europese Hof in Brussel gebruikt.’

Is dat geen extra reden om voorzichtig te zijn, als uw onderzoeksresultaten zo veel emoties oproepen en zelfs maatschappelijke gevolgen hebben?

‘Er bestaat geen persoonlijker orgaan dan het brein. Als je in het menselijk brein bezig bent met onderzoek, ben je voortdurend met controversiële en politieke dingen bezig. Als je dat niet wil, moet je stoppen met hersenonderzoek.’

Zijn er volgens u helemaal geen grenzen?

‘Voor het kinderboek Jij bent je brein vond ik dat pedoseksualiteit een grens was. Dat vonden we te moeilijk voor acht-plussers. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat dat juist een leeftijd is dat ouders daar met kinderen over zouden moeten praten. Ik heb daar echt over gedubd.

‘In mijn boek voor volwassenen probeer ik echter niets te bedekken. Ik probeer alles zo helder mogelijk te zeggen. Ik denk dat dat ook de kracht van mijn boek is geweest. Dat ik er niet omheen klets, maar zeg waar het op staat.’

Uw nieuwe boek gaat over het creatieve brein. Welke definitie voor creativiteit hanteert u?

‘Iets nieuws maken uit brokstukken die al bestaan. Dat doen wij voortdurend, op alle niveaus. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de wetenschap, de kunst en de muziek.’

Hoe werkt die creativiteit in ons brein?

‘We worden de hele dag met allerlei informatie gebombardeerd. Die informatie komt niet alleen uit je omgeving maar ook uit je eigen brein, waar constant nieuwe informatie uit opborrelt. We focussen slechts op een deel daarvan, omdat ons brein kan zeven. Die zeef wordt gevormd door de thalamus, een centraal deel van de hersenen, samen met de prefrontale cortex. Bij sommige mensen staat die zeef meer open dan bij andere. Die mensen krijgen daardoor meer informatie binnen en kunnen dus ook meer combineren. Zij zijn daardoor creatiever.’

Uit welke fysieke delen bestaat die zeef?

‘Dat zijn verbindingen tussen neuronen. Stoffen als glutamaat en GABA en honderden andere factoren kunnen die transmissie tussen neuronen beïnvloeden. De structuur en de werking van het netwerk is maatgevend voor allerlei eigenschappen van het brein, inclusief de werking van die zeef.

‘Er zijn mensen bij wie de zeef wijder openstaat en die per tijdeenheid meer informatie kunnen verwerken dan anderen. Dat geeft ze de mogelijkheid om creatiever te zijn. Je hebt daarvoor overigens een IQ nodig van ongeveer 120. Dat is de grens, maar een nog hoger IQ maakt je niet nog creatiever.’

Hoe beïnvloedt IQ je creativiteit?

‘Het soort associaties waar je goed in bent, blijkt afhankelijk van kleine variaties in het DNA. Je hebt mensen met variaties die hen geschikt maken voor creativiteit in de dans, anderen hebben variaties die hen geschikt maken voor creativiteit in de muziek.’

Bepaalt die combinatie van DNA en brein volledig hoe creatief je bent?

‘Niet helemaal. Je kunt je zeef namelijk zelf verder openen. Van oudsher doet men dat met alcohol en drugs. Daar zijn serieuze onderzoeken naar gedaan, met kunstenaars die in een gecontroleerde situatie hebben gepresteerd onder invloed van alcohol en hebben laten zien dat ze inderdaad meer presteerden. Anderen lukte dat echter niet, dus het blijft afhankelijk van de persoon.

‘Wat ook helpt, is een nieuwe omgeving. Dat geeft je weer nieuwe mogelijkheden om te associëren en nieuwe brokstukken bij elkaar te leggen. Tot slot blijkt uit elk onderzoek dat je creativiteit moet oefenen, moet leren. Je moet er wel aanleg voor hebben, op je DNA, maar daarna moet je blijven oefenen totdat je het automatisch kunt.

‘Bovendien is ieder brein anders, zelfs wanneer je genetisch dezelfde achtergrond hebt. Wanneer je bij een identieke tweeling bij de geboorte een hersenscan maakt, zie je al verschillen. Dat komt doordat het brein zo complex is dat het maar voor een klein deel geprogrammeerd kan worden op basis van de informatie op het DNA.’

Hoe ontwikkelt het brein zich dan wel?

‘Door zelforganisatie. Dat zie je ook bij andere complexe systemen zoals een mierenkolonie of spreeuwenzwerm. Die kunnen samen als geheel functioneren terwijl het allemaal afzonderlijke eenheden zijn. De ontwikkeling van het brein gaat net zo. De contacten en synapsen die je brein vormgeven, ontstaan lokaal. Hersencellen zijn tijdens de ontwikkeling in competitie om de beste contacten. Bij een sterk contact worden groeistoffen overgebracht van de ene cel naar de andere. Die cellen gaan samen vuren en dan blijven de onderlinge verbindingen tussen de neuronen in stand. De cellen die te vroeg of te laat contact maken, verdwijnen uiteindelijk.

‘We maken ruim vijfmaal zo veel cellen als we uiteindelijk in ons brein overhouden. Dat proces van lokale competitie om de beste contacten noemen we neuronaal darwinisme. Die competitie heeft hele simpele regels, maar het is een lokaal proces.’

Kun je die competitie in de juiste banen leiden?

‘In de baarmoeder is dat lastig, maar het is een chemisch proces waar iedere chemische stof invloed op heeft. Stress van de moeder heeft invloed vanwege het hormoon cortisol, evenals alle geneesmiddelen die de moeder tijdens de zwangerschap neemt en de placenta passeren. Roken, drugs en drinken ook. Iedereen weet dat je dat niet moet doen, maar het gebeurt toch.

‘Wanneer het kind wordt geboren, moet het opgroeien in een veilige, warme en stimulerende omgeving. Kinderen die ernstig verwaarloosd worden, hebben een kleiner brein.’

Op wat voor manier kun je als ouder het brein van je kind stimuleren?

‘Je moet kinderen informatie aanbieden die geschikt is voor hun leeftijd, of net iets moeilijker. Je moet ze voortdurend uitdagen en nieuwe dingen laten doen en leren. Als ze daar plezier in hebben dan werkt het goed.

‘Bij hersenen is het altijd nu of nooit. Je krijgt niet de kans om fouten of gemiste kansen later te herstellen. Zo blijft het stresssysteem in de hersenen bijvoorbeeld heel lang kwetsbaar. Dat stresssysteem kan op verschillende manieren in een hogere versnelling worden gezet. Dat kan genetisch, door ondervoeding in de baarmoeder, door misbruik of verwaarlozing van het kind. Wanneer die stresssystemen te hard werken, word je boos of verdrietig, schiet je in een depressie of ontwikkel je een angststoornis.

‘Ook daarna is het nog niet afgelopen en heeft je omgeving een stimulerende invloed op je brein. Daarom moet je je hersenen altijd blijven stimuleren om goed te blijven functioneren, zelfs op latere leeftijd.’

Maar op latere leeftijd is die competitie tussen verschillende gebieden toch niet meer aan de gang?

‘Nee, dat klopt. De hersenontwikkeling loopt wat betreft de vorming van contacten tussen neuronen tot ongeveer het vierentwintigste jaar. De wetgever denkt dat ons brein volwassen is op ons achttiende, maar het duurt dus nog zes jaar langer. Dat je als achttienjarige als volwassene wordt gestraft, is onverstandig. Je hebt immers nog geen volwassen brein. Wanneer kinderen in die avontuurlijke periode dingen doen die niet mogen en je sluit ze op, dan onderbreek je hun opleiding. In de gevangenis leren ze alleen maar criminaliteit en als ze eruit komen kunnen ze hun leven moeilijk hervatten en komen ze op straat terecht. We moeten meer rekening houden met die periode.’

In uw boek beschrijft u ook dat ons brein onze beroepskeuze bepaalt. Geldt dat voor iedereen?

‘Nee. Sommige mensen doen een beroep tegen hun zin in. Die worden ergens in geduwd en hebben geen andere keus. Maar als je kijkt naar mensen die met plezier hun werk doen, dat aansluit bij hun talenten en beperkingen, dan ligt dat anders.

‘Ieder brein is anders dankzij dat proces van zelforganisatie. Wanneer je een groep bekijkt, zitten er verschillen in tussen man en vrouw, maar ook verschillen in relatie tot seksuele oriëntatie. In het AMC, het academisch ziekenhuis in Amsterdam waar ik werk, zijn verplegers voornamelijk vrouwen. Mannelijke verplegers zijn voor het allergrootste deel homoseksueel. De steward in het vliegtuig is ook vaak homoseksueel. We spreken niet voor niets van de GayLM in plaats van de KLM. Die grap is gebaseerd op feiten.’

Hoe bedoelt u dat?

‘Blijkbaar gaat de hersenontwikkeling die zorgt voor een homoseksuele oriëntatie gepaard met meer belangstelling voor verzorgende en creatieve beroepen. Je vindt een oververtegenwoordiging van homoseksuele mannen in creatieve beroepen. In de kunst, de muziek en de mode.’

Kunt u dat ook met cijfers onderbouwen?

‘Ja, dat kan ik. Geloof je het niet?’

Nou, het is nogal een uitspraak…

‘Je ziet vrouwen en homoseksuele mannen vaker in verzorgende beroepen. Maar je ziet bijvoorbeeld weinig vrouwelijke dirigenten, om maar wat te noemen. Een van de weinige die ik ken is Frida Belinfante. En zij heeft 21 lesbische relaties gehad die ze in een boek uitvoerig beschrijft.

‘En neem nu tolken. Dat zijn voornamelijk vrouwen. De mannen die tolken, zijn voornamelijk homoseksueel. Dat is niet alleen hier in Europa zo, maar ook in China, waar ik werk. Het verschijnsel is dus niet cultuurafhankelijk.

‘Het is daarom volgens mij heel belangrijk dat je tegen mensen zegt dat ze moeten doen wat ze leuk vinden, wat aansluit bij hun talenten en beperkingen, niet wat bijvoorbeeld hun vader of moeder zeggen dat ze moeten doen.’

Maar wacht eens even. We hadden toch geen vrije wil? Zegt u nu dat ons leven toch maakbaar is?

‘Ja, maar die maakbaarheid is beperkt. Beperkter dan sommige psychologen vertellen. Iemand met een persoonlijkheidsstoornis help je niet van zijn stoornis af. Je kunt diegene hooguit leren om beter met zijn makke om te gaan. Het idee dat alles maakbaar en plastisch is, is onzin. Dan zou je geen blijvende letsels hebben. Dan zou alles zich herstellen in dat brein en zou de neurologie niet bestaan.’

Maar iemand die een verkeerd beroep heeft gekozen kan alsnog besluiten van baan te wisselen?

‘Ja, want we leren iedere dag. En wat we leren wordt meegenomen in onze beslissingen.’

Is zo’n beslissing een deterministisch proces? Als we er een experiment van zouden maken, heeft die beslissing dan ook steeds dezelfde uitkomst?

‘Daar kan ik geen antwoord op geven, want dat experiment hebben we nooit gedaan. Maar je hebt natuurlijk in alles met variaties te maken. Dat geldt vast ook voor interne fluctuaties in de activiteit van hersencellen. Zeggen dat alles dat er in de wereld gebeurt daardoor helemaal gedetermineerd zou zijn, is natuurlijk onzin, een stap te ver. We leven in een chaotische wereld.’

Begrijpen mensen u verkeerd wanneer zij denken dat u impliceert dat zij totaal geen invloed hebben op hun eigen leven?

‘Ja. Wat ik daarbij vervelend vind, is wanneer mensen iets beweren waarvan je denkt: ‘Dat staat op bladzijde 273, lees dat dan eerst voordat je gaat kakelen. Lees het, doordenk het eventjes.’ Veel mensen komen niet verder dan de titel en worden dan ontzettend boos. Ik weet dat mijn boek veel gekocht is, maar ik weet niet hoeveel er gelezen is. En ik weet wel zeker hoe weinig er begrepen is.’

U schuwt daarin het conflict niet. In uw nieuwe boek staat een opmerkelijke alinea over wetenschapsjournalist Asha ten Broeke, waarin u stelt dat u in Disneyland graag een prinsessenjurk voor haar had gekocht, om te bewijzen dat speelgoed voor meisjes juist heel leuk is.

‘Ja. Zij schrijft ook dingen over mij, dus dan krijgt ze het op een gegeven moment terug.’

Die anekdote was echt?

‘Ja. Ik heb in Disneyland echt naar zo’n jurk gezocht. Helaas was hij niet beschikbaar in een maat die haar zou passen.’

Discussieert u niet liever op argumenten?

‘Natuurlijk wel, ik ben een wetenschapper. Een discussie op argumenten is het mooiste dat er is. Daar leer je van.’

Kan een tegenstander u in zo’n discussie overtuigen?

‘Ja, maar alleen met data, niet met geklets.’

Zou iemand u met ‘geklets’ wel kunnen overtuigen dat u bepaalde data verkeerd hebt geïnterpreteerd?

‘Ja, want dan gaat het alsnog over data. Mijn ideeën zijn heus niet zo in beton gegoten als jullie denken.’

Toch presenteert u alles altijd heel stellig.

‘Nee, niet stellig. Duidelijk.’

Maar door duidelijk te schrijven, impliceert u die stelligheid. Is dat geen probleem?

‘Nee. Mijn schrijven dient een groter doel. Je merkt dat de belangstelling voor hersenonderzoek toeneemt wanneer je zo helder mogelijk vertelt hoe fantastisch die machine in ons hoofd is en hoe ongelofelijk complex de ontwikkeling van het brein is. Je moet vertellen dat je eigenlijk verbaasd bent dat het brein zo goed werkt en helemaal niet verbaasd bent dat het soms fout gaat en tot psychiatrie leidt. Dat taboe wil ik echt slechten.’

Het gaat u dus vooral om acceptatie van die hersenziekten?

‘Ja, de acceptatie van alle variaties in het functioneren van ons brein – inclusief hersenziekten. Dat is de reden dat ik een publieksboek schrijf, zodat ik daaraan een bijdrage kan leveren. Mijn wetenschappelijke werk leest helemaal niemand, alleen vakbroeders. Ik wil mensen zover krijgen dat ze accepteren dat in ieder gezin een probleem kan ontstaan.’

Maar als dat het doel is, waarom kiest u in uw boeken dan toch steeds voor die controverse?

‘Discussie is een manier om zaken onder de aandacht te brengen. Ik weet uit mijn werk in China hoe belangrijk het is om taboes te slechten. Een Chinees gaat nooit naar de psychiater. Het stigma dat de hele familie daardoor krijgt, is te ingrijpend. Het gevolg is dat het aantal suïcides driemaal zo hoog is als hier in het Westen. Zo’n taboe kun je alleen doorbreken door de kennis van de werking van ons brein bij het grote publiek te verhogen.’

Leave a Reply 0 comments

Leave a Reply: